E N D
1.
5. Topics Niet alle diabetes is type 2
Van overgewicht naar insulineresistentie – de rol van de lever
Een derde onderwerp naar keuze
6. Consult op oogheelkunde – glasvochtoperatie ivm bloeding
Bekend met diabetes, spuit 2 dd Mixtard 30/70, G 86 kg, L 1.66
Advies?
7. 15 Jaar oud - diabetes geconstateerd - veel drinken, plassen: Insuline
20 jr gravida - eind lage glucosewaarden - insulinedosis gehalveerd
24 jr idem. Na zwangerschap stop insuline - 17 jaar tabletten, SU.
Negen jaar geleden weer insuline 26 - 28E Mixtard 30/70. Modelpatient; HbA1c 6.9%.
Gewicht laatste 10 jaar 20 kg omhoog, nu 86 kg bij lengte van 1.66
8. Welke gegevens zou U nog meer willen hebben? A. Plasma C-Peptide
B. Anti-GAD-antistoffen
C. Lipidenprofiel
D. Familie anamnese
9. Familie anamnese 1 zus (47) diabetes, diagnose op 15-jaar, ~25 jaar tabletten, nu insuline
1 broer (55) diabetes, diagnose 16 jaar, meer dan 10 jaar tabletten
1 broer (57) geen diabetes, 1 broer (54) “zit er tegenaan”.
Vader diabetes vanaf 19e jaar. Overleden op 48-jarige leeftijd. Moeder gb
Twee dochters; een (25) diabetes op 12 jaar - tabletten ; momenteel tolbutamide 250 mg
Een nicht (34) ook diabetes. Tolbutamide od dag.
10. Wat is dit voor diabetes? A. Toch gewoon type 2 diabetes
B. Latent Autoimmune Diabetes in Adults (LADA)
C. Type 1½ diabetes
D. Maturity-onset diabetes of the Young (MODY)
11. MODY Autosomaal dominante overerving
Diabetes bij tenminste een deel van de familieleden vastgesteld vóór leeftijd van 25 jaar
Gedurende enige tijd te behandelen met orale middelen.
Pte: mutatie in HNF1?-gen (delC291)
12. Tot nu toe gevonden genmutaties bij MODY Hepatocyte Nuclear Factor 4 ?
Glucokinase
Hepatocyte Nuclear Factor 1 ?
Insulin promotor
Hepatocyte Nuclear Factor 1 ?
NeuroD1
NB. Vijf van de zes: transcriptiefactoren
13. Diagnose: MODY3 Diagnose geeft meer informatie over beloop en prognose
Voorlichting andere familieleden:
Wel of niet screenen
erfelijkheidsadviezen
Therapie: MODY is geassocieerd met SU- (hyper) sensitiviteit
14. ADA diabetes classificatie 1997 I. Type 1 diabetes (betaceldestructie)
II. Type 2 diabetes
III. Andere specifieke types
A. Genetische betaceldefecten
1. Chromosoom 12, HNF 1? (MODY3)
2. Chromosoom 7, glucokinase (MODY2)
3. Chromosoom 20, HNF 4? (MODY1)
4. Mitochondrieel DNA
B. Genetische stoornissen in insulinewerking
15. Diabetes classificatie 1997 (2) III. Andere specifieke types
C. Exocriene pancreasziekte
D. Endocrinopathien
E. Geneesmiddel en chemisch-geïnduceeerd
F. Infecties
G. Ongewone vormen van immuun-gemedieerd
H. Andere genetische syndromen
geassocieerd met diabetes
IV. zwangerschapsdiabetes
16. Moraal Niet alle diabetes is type 2
Type 1 ? type 2 qua indicaties statines ed
Denk aan type 1 op oudere leeftijd (LADA)
Gehele bevolking dikker dus ook type 1
Moeilijk: presentatie diabetes 15-40 zonder keto-acidose
18. Type 2 diabetes Combinatie van defect in insulinesecretie (insulinedeficientie) en stoornis in de insulinewerking (insulineresistentie)
26. Insulineresistentie en type 2 diabetes Geen diabetes zonder betacel defect, hoe ernstig de insulineresistentie ook is
Betaceldefect: ws genetisch bepaald
Hoe insulineresistenter een risicopersoon, hoe meer kans op het ontstaan van diabetes op jongere leeftijd
Meeste mensen die insulineresistent zijn hebben echter geen diabetes
27. Overgewicht en Insulineresistentie Mogelijke verklaringen:
Vetdepositie in “non-fat tissue (‘ectopic fat’)”
Vetweefsel “hormonen”: Adiponectin
29. Ectopisch vet Lever
Spier
Pancreas
Visceraal?
Nier?
39. Correlation between insulin sensitivity and TG in muscle
41. Correlation between insulin sensitivity and TG in muscle
43. Effect of pioglitazone on IMCL in FCH
45. Vet in lever
50. Relation between liver fat content and insulin sensitivity
54. WoSCoPS: metabolic syndrome and ALT
55. WoSCoPS: ALT and Diabetes Incidence
61. Effect van liposuctie 15 vrouwen met fors overgewicht (BMI 35 kg/m2): 8 met IGT, 7 met type 2 DM
Large volume liposuction: 9.1?3.7 kg bij IGT en 10.5 ? 3.3 kg bij DM2
Reductie in totale vethoeveelheid: IGT 18 ? 3%, DM2 19 ? 2%
Effect op metabole parameters?
62. Large volume liposuction
64. Visceraal vet VOOR
Middelomvang gecorreleerd met insulinegevoeligheid
Cross-sectionele en prospectieve relaties
TEGEN
Intra-abdominaal:
15-18% bij mannen
7-8% bij vrouwen
Is ~ ongewijzigd bij mensen met overgewicht
FFA-flux: ~15% komt vanuit intraperitoneaal
66. Samenvatting Zowel hoeveelheid vet in lever als hoeveelheid vet intramyocellulair zijn gecorreleerd met insulineresistentie
Verandering in insuline-gevoeligheid lijkt gepaard te gaan met verandering in hoeveelheid ectopisch vet
Hoeveelheid levervet belangrijke variabele
Visceraal vet: relevant? Wellicht wel voor insulineresistentie lever, waarschijnlijk niet skeletspier
67. Vragen en Praktische consequenties? Oorzaak gevolg relatie?
Wat bepaald ectopisch vetopslag?
Leverenzymen: maat voor insulineresistentie en kans op type 2 diabetes
Levervet vrijwel zeker ~ metabool syndroom
Levervet prognostisch voor reactie op therapie?
Levervet en cardiovasculaire risico?
69. Overgewicht en Insulineresistentie Mogelijke verklaringen:
Vetdepositie in “non-fat tissue (‘ectopic fat’)”
Vetweefsel “hormonen”: Adiponectin
72. Effect of adiponectin on liver steatosis
73. Effect of TZD treatment on liver steatosis
74. Conclusie Vethormonen (adiponectine!) belangrijke schakel tussen overgewicht en insulineresistentie
Wellicht via AMK-kinase
Aantrekkelijk farmacologisch target
TZD’s ~ adiponectine-agonisten
82.
Position
in Model Variable P Value
First Low-density lipoprotein cholesterol <.0001
Second High-density lipoprotein cholesterol .0001
Third Hemoglobin A1C .0022
Fourth Systolic blood pressure .0065
Fifth Smoking .056 Established Risk Factors in Type 2 Diabetes
83. Effect of metformin on any diabetes-related endpoint
84. Reducing macrovascular complications requires more than improved glycemic control
85. UKPDS: Metformin in Overweight Patients Intensive metformin therapy (n=342) vs diet (conventional) therapy (n=411).
Results:
32% risk reduction in any diabetes-related endpoints p=0.002342% risk reduction in diabetes-related deaths p=0.01736% risk reduction in all cause mortality p=0.01139% risk reduction in myocardial infarction p=0.01
86. Metformin Comparisons
89. Glucoseregulatie en CV-ziekte Hyperglycemie mn relevant tav microvasculaire complicaties (=quality of life)
Glucoseregulatie vrijwel zeker relevant voor CV-complicaties – afhankelijk van manier waarmee glucose wordt verlaagd?
Mensen leven niet alleen om zo oud mogelijk te worden