SlideServe
Menu
Préférences
© SlideServe · v2026

Paragraaf 4.3

zelda avatar
18 diapositives · 373 Views · Jul 26, 2014

Paragraaf 4.3. Machtige heren, halfvrije boeren. Bodo en Ermentrude. Hoe leefden mensen vroeger in de middeleeuwen? Veel mensen waren toen boer. Zo’n boer moest veel op het land werken. En ook moest hij werken op het land van het klooster.

Paragraaf 4.3 - slide 1
01 / 18Paragraaf 4.3
1 / 17

Télécharger la présentation

Paragraaf 4.3
Une image / un lien ci-dessous est fourni (tel quel) pour télécharger la présentation

Politique de téléchargement : le contenu du site vous est fourni TEL QUEL pour votre information et votre usage personnel ; il ne peut être vendu, concédé sous licence ni partagé sur d’autres sites sans l’accord de son auteur.Le contenu vous est fourni TEL QUEL, pour votre information et votre usage personnel uniquement. Téléchargez la présentation en cliquant sur ce lien. Lors du téléchargement, si vous ne parvenez pas à télécharger une présentation, l’éditeur a peut-être supprimé le fichier de son serveur.Pendant le téléchargement, si vous ne parvenez pas à obtenir une présentation, le fichier a peut-être été supprimé par l’éditeur.

F I N

Plus de contenu associé

Transcription de la présentation
  1. Paragraaf 4.3 Machtige heren, halfvrije boeren

  2. Bodo en Ermentrude • Hoe leefden mensen vroeger in de middeleeuwen? • Veel mensen waren toen boer. • Zo’n boer moest veel op het land werken. • En ook moest hij werken op het land van het klooster. • De boer moest ploegen, en voor de dieren zorgen.

  3. De boerin moest voor het klooster kleding spinnen en weven. • En voor haar eigen gezin moest ze ook weven en koken. • Een voorbeeld hiervan zijn Bodo en Ermentrude uit het tekstboek.

  4. Veel mensen leefden op deze manier. • Vaak was het land niet hun eigen bezit. • Het land was vaak van de rijke heer of klooster. • De boeren waren dan geen slaven, maar echt vrij waren ze ook niet.

  5. Ze woonde op het terrein van de heer: domein. • Ze mogen het domein niet zomaar verlaten. • De boeren heten dan horigen.

  6. Wonen op een domein • In de landbouwsamenleving leeft bijna iedereen als horige boer. • Het was niet veilig en dus zochten veel boeren bescherming bij een rijke heer of een klooster. • In ruil daarvoor staan ze hun vrijheid af. • Zo is de horigheid ontstaan.

  7. Een domein bestond vaak uit 2 delen: • 1. akkers en moestuinen voor de heer of klooster. • 2. akkers + boerderijen van de horigen die er woonden.

  8. Midden op het domein stond de hof. • Daar woonde dan de heer. • Vaak had een heer meerdere domeinen. • Dan had hij daar een plaatsvervanger wonen, een rentmeester. Die was dan de baas van de horigen.

  9. Rondom het domein lagen weiden en bossen. • Daar mochten de dieren van de horigen rondlopen bv in ruil voor en stapel hout. • De horige moest dus wel voor alles betalen.

  10. Werken voor de heer • De horigen produceerden hun eigen voedsel. • Een deel moesten ze afstaan als belasting. • Ze werken ook op de akkers van de heer. • En ze moeten klusjes doen voor de heer. • Bv hek repareren, boom kappen, kleding spinnen en wezen, enz. • Dit zijn herendiensten.

  11. Al die herendiensten kostte veel tijd in de week. • Dit systeem van horigen, heren, herendiensten op een domein noemen we het hofstelsel.

  12. Weinig handel • Horigen kwamen eigenlijk nooit van het domein af. • Alles wat ze nodig hadden was aanwezig op het domein: brood bakken, kleding maken, er was een kerkje, een molen, een brouwerij en een vijver om in te vissen. • Ze zorgen dus zelf voor alles dat ze nodig hebben: zelfvoorzienend.

  13. Er was dus weinig handel op het platteland. • Geld werd niet meer gebruikt en steden verdwenen compleet. • In Nederland was alleen Dorestad nog een stad met handel.

  14. Daar kwamen kooplieden uit Duitsland, Frankrijk, Scandinavië. • Ze namen wijn, zout en aardewerk mee. • Ook handelaren uit Afrika namen ivoor en edelstenen mee.

  15. Drie groepen • Er waren in de middeleeuwen 3 groepen mensen: • Boeren • Edelen • De geestelijken • Dit zijn de drie standen.

  16. Edelen en geestelijken mochten meer dingen dan de boeren. • Deze standen mochten meer en hadden dus meer privileges. • Ze mochten rechtspreken, belasting heffen en herendiensten eisen. • Zelf betaalden ze geen belasting. • Ze mochten jagen, zelfs als ze dan over de akker van de boer moesten.

  17. Iedereen had toen een vaste plaats in de samenleving. • Een zoon of dochter van de edelen, trouwde altijd met iemand uit dezelfde stand. • Ze konden wel ook een hoge functie in de kerk krijgen. • Een zoon van een boer zal nooit edelman worden! • Hij kon wel een eenvoudige monnik worden

  18. Einde